Europees Witboek Chemische Stoffen


Donderdag 27 juni om 10 uur, Bond Beter Leefmilieu, Tweekerkenstraat 47, 1000 Brussel.
 

De Metaalcentrale van het ABVV (CMB) heeft 5 december 2001 een studiedag gehouden over leefmilieuproblemen in de non-ferronijverheid. Arbeid & Milieu heeft een verslag gemaakt van die studiedag, in een speciale editie van het Arbeid & Milieu Magazine. Eén van de behandelde thema’s was het Europese Witboek Chemische Stoffen. Naar aanleiding hiervan, heeft Arbeid & Milieu een WISEB-vergadering gehouden. Dit om de knelpunten in dit dossier te overlopen, om na te gaan waar de standpunten samenlopen en waarover men van mening verschilt.Het Witboek is immers uiterst belangrijk, en zowel bij bedrijven, vakbonden en milieubeweging in heel Europa wordt hierover druk gestudeerd en gelobbyd. Want er staat zeer veel op het spel…

Het Witboek stelt een nieuw registratiesysteem voor, waarbij de industrie verplicht wordt voor alle nieuwe en bestaande stoffen testgegevens te verzamelen en risico’s te beoordelen.  Esmeralda Borgo van de Bond Beter Leefmilieu schetst de historiek en het belang ervan, om vervolgens het standpunt van de milieubeweging terzake uit de doeken te doen:

Het Witboek is er gekomen na een evaluatierapport van de Europese Commissie in november ’98. Daaruit bleek dat het huidige chemiebeleid faalt.

Hieronder enkele gegevens:

- Economisch wordt de sector steeds belangrijker : de productie steeg wereldwijd van 1 miljoen ton in 1930 naar 400 miljoen ton vandaag;
- Met een aandeel van ongeveer 31 % van de productie, is Europa de grootste producent, op de voet gevolgd door de Verenigde Staten met 28%;
- Op vlak van tewerkstelling, blijkt ook de grootte van de sector : bij benadering 1,7 miljoen mensen in Europa werken in chemische industrie, bovendien zijn 3 miljoen banen ervan afhankelijk.  Enkele grote multinationals en zo’n 36.000 KMO’s nemen ongeveer 28% van de chemische productie in Europa voor hun rekening
- In 1981 werd een lijst opgemaakt van chemische stoffen die tot dan toe op de markt waren gebracht, de zogenaamde EINICS (European Inventory of Existing Commercial Chemical Substances). Deze lijst bevat maar liefst 100.106 stoffen, de zogenaamde bestaande stoffen.Niemand weet hoeveel daarvan vandaag nog geproduceerd en op de markt gebracht worden. Volgens een schatting van de OESO zouden in 1986 70.000 à 80.000 stoffen op de markt zijn;
- De Europese Commissie schat dat ongeveer 10.000 stoffen op de markt worden gebracht in volumes van meer dan 10 ton per jaar. Daarvan zijn er zo’n 2.500 HPVC (high production volume chemicals): meer dan 1.000 ton per jaar op de markt.  Daarenboven worden 30.000 stoffen in volumes van meer dan 1 ton per jaar op de markt gebracht.
- De meeste stoffen worden als mengsel op de markt gebracht : er zouden volgens de Europese Commissie zo’n 1 miljoen chemische preparaten op de Europese markt worden gebracht.
- Heel wat nevenproducten en onzuiverheden zijn nooit geregistreerd geweest (o.a. intermediaire stoffen, residuen van procesvoering, tussenproducten die nooit op de markt worden gebracht, e.d.). Men heeft er bijgevolg geen zicht op.
- Van die 2.500 HPVC bestaan er over 85 % nauwelijks of geen informatie. Voor de stoffen die in lagere hoeveelheden worden geproduceerd zou de situatie nog erger zijn.
- Van de 2.500 HPVC zijn er voorts 140 geselecteerd voor een uitvoerige risicoanalyse. Hoewel dat proces reeds werd opgestart in 1993, waren er eind 1999 slechts 3 afgerond. Men dacht aanvankelijk dat er zo’n 25 per jaar konden worden afgerond. Het werk werd verdeeld onder de lidstaten.  België moest bijvoorbeeld cadmium voor zijn rekening nemen, maar dit is nog steeds niet niet afgerond. Er zijn te weinig middelen en te weinig personeel voor zo’n gigantisch groot wetenschappelijk werk.  Aan het huidige tempo zijn we vertrokken voor een paar eeuwen. De risicoanalyse is dus totaal ontoereikend, er worden te weinig stoffen geanalyseerd over een te lange periode.
- De nieuwe stoffen (die na 1981 op de markt zijn gekomen)zijn opgenomen in de zogeheten lijst ELINCS (European List of Notified Chemical Substances). Deze bevat ongeveer 2.400 stoffen. Hier geldt een verplichting om een basisset van informatie te voorzien vooraleer ze op de markt worden gebracht zodra ze geproduceerd worden in hoeveelheden van meer dan 10 kg per jaar (notificatie volgens richtlijn 67/548/EEG). Het gaat hier veelal over de productie in kleinere hoeveelheden, lager dan 100 ton/jaar. Het marktaandeel van deze ELINCS is slechts 1 %.

Hoewel de consument zich er meestal niet van bewust is, komen we met vele van die stoffen dagdagelijks via de meest banale producten in aanraking : textiel, meubelen, elektronisch materiaal, schoonmaakmiddelen, verven, vernissen, enz..
Totnogtoe worden producten en stoffen als “veilig” beschouwd tot het tegendeel is bewezen. Het duurt jarenlang vooraleer dat tegendeel wordt bewezen. (bijvoorbeeld kankerverwekkende eigenschappen, mutageniteit, e.d.).

Het antwoord van de Europese Commissie op deze vaststellingen, is het Witboek met een "Strategie voor een toekomstig beleid voor chemische stoffen", verschenen in februari 2001 onder het Zweeds voorzitterschap. Centraal in dat Witboek is het “REACH”-systeem (Registration, Evaluation and Authorisation of Chemicals). Dit geldt zowel voor bestaande als nieuwe stoffen (voor en na 1981). Het principe is dat de bewijslast wordt omgekeerd : de industrie moet aantonen dat stoffen veilig zijn. De industrie wordt met andere woorden verplicht voor alle nieuwe en bestaande stoffen testgegevens te verzamelen en risico’s te beoordelen. Volgens het Witboek is de risico-evaluatie de taak van de bedrijven die de stoffen produceren, invoeren of gebruiken. Er wordt verwezen naar bepaalde stoffen die volgens de Commissie al te veel ernstige schade hebben toegebracht aan de gezondheid. Bekende voorbeelden daarvan zijn asbest en het overvloedig gebruik van DDT. “Die stoffen werden pas verboden nadat er al grote hoeveelheden van werden gebruikt en de schade reeds was aangericht. Er zijn voldoende redenen om aan te nemen dat bepaalde chemische stoffen een rol spelen bij sommige recent steeds vaker voorkomende ziektes zoals teelbalkanker bij jonge mannen en allergieën”, aldus het Witboek.
 

Registratie
- De termijnen voor registratie zijn afhankelijk van de productieomvang en van het volume dat op de markt komt per bedrijf (zie hieronder bij de opmerkingen).
- Er zijn verschillende niveaus van gegevens (basisset – niveau 1 – niveau 2), gegroepeerd op basis van de omvang van de productie (zie verder)
- De inhoud van die gegevensets is op dit moment nog onbekend – chronische effecten slechts vanaf 100 ton per jaar per bedrijf.
- voor stoffen voor minder dan 1 ton per bedrijf per jaar hoeven geen gegevens te worden geregistreerd, zelfs indien het totaal (de ganse productie in Europa) meer dan 1 ton is. Dit is beduidend minder streng dan de regelgeving tot nog toe voor de “nieuwe stoffen” (zie eerder, tot nu toe is dat vanaf meer dan 10 kg per bedrijf).
 

Blijkbaar wordt ook nog onderscheid gemaakt tussen stoffen tussen 1 en 10 ton enerzijds en stoffen tussen 10 en 100 ton qua omvang gegevens.  Eerste geval : beperkt set registratiegegevens (fysisch-chemische, toxicologische en ecotoxicologische eigenschappen van de stof) ; tweede geval : basisset cfr.  bijlage VIIA van Richtlijn 67/548/EEG.
Niveau 1 : voor stoffen die geproduceerd of ingevoerd worden in hoeveelheden van 100 tot 1000 ton (op de stof afgestemde tests voor effecten op lange termijn) : richtsnoeren moeten nog verder gespecificeerd worden
Niveau 2 : nog meer op de stof afgestemde tests voor effecten op lange termijn.  Idem.
 

Enkele opmerkingen vanwege de deelnemers aan de vergadering over dit aspect “registratie”.
Om te beginnen hebben zowel milieumensen als vakbondsmensen vragen over het feit dat de toegelaten productieomvang bepaald wordt per bedrijf. Dit betekent om te beginnen dat er niet over de totale productieomvang van de stof wordt gesproken. Bovendien kunnen bedrijven hun productie zo aanpassen dat ze de registratie kunnen ontlopen door net iets minder te produceren dan 1 ton bijvoorbeeld. Zeker multinationale ondernemingen zullen hiermee spelen door de productie te spreiden over hun verschillende vestigingen. Bovendien zitten in de sector veel KMO’s, die onder de vrij hoge grens zullen zitten met hun productie. “Men geeft de indruk dat men ingrijpende veranderingen doorvoert, maar eigenlijk worden een aantal zaken minder streng”, vreest Bruno Melckmans, van de dienst ondernemingen van het Federaal ABVV.
Een ander betwistbaar punt betreft de risicoanalyse. De milieubeweging pleit in deze voor het hanteren van het voorzorgprincipe: van zodra een stof een groot intrinsiek gevaar op gezondheidsschade met zich mee draagt, en als er bovendien een valabel alternatief voorhanden is, dan pleit de milieubeweging tegen het verder aanvaarden van die bepaalde stof. De industrie wil een “meer wetenschappelijk bewijs”: het intrinsieke gevaar moet worden afgemeten aan de kans dat het mogelijke probleem verbonden aan de stof zich ook effectief voordoet. De vakbonden nemen in de vraag hoever de analyse moet gaan een tussenpositie in, aldus Annick Clauwaert, milieudeskundige bij het Vlaams ABVV.

Evaluatie van de door de industrie verschafte gegevens :
- voor de stoffen met productvolume van meer dan 100 ton en enkel als er “reden tot zorg is” ook voor stoffen met lager productievolume. Wat een reden tot zorg juist is, is onduidelijk.
- geen deadlines voorzien voor overheid voor de evaluatie. Dit is een belangrijk mankement.

Authorisatie
= Het verlenen van vergunningen voor het gebruik van bepaalde stoffen in welbepaalde toepassingen, nadat aangetoond is dat de toepassing “veilig” is. : CMR categorie 1 en 2 (bestaan van carcinogeen karakter is zeker tot vrij zeker; bij categorie 3 daarentegen is het onzeker – CMR = carcinogene en mutagene stoffen en stoffen die schadelijk zijn voor de reproductie), en Persistent Organic Pollutants (POP’s) : vermoedelijk zo’n 1400 stoffen ( volgens de Europese Commissie : de raming is gebaseerd op :
- 850 stoffen die momenteel als CMR cat. 1 of 2 zijn ingedeeld
- stoffen met POP kenmerken
- een schatting van zo’n 500 CMR stoffen (cat 1 of 2) die wellicht door de bijkomende tests aan het licht zullen komen.).
 

Een belangrijk probleem is ook dat al wat geproduceerd wordt buiten Europa, hier niet onder valt.

Aanvankelijk was aangekondigd dat er een voorstel van de Commissie voor regelgeving klaar zou zijn tegen de zomer, dit is alvast uitgesteld tot het einde van dit jaar (voor kerst).
 
 
Standpunt milieubeweging

Voor het verschijnen van het Witboek werd een “chemicals charter” gelanceerd (na een congres in Denemarken in september 2000). Dit is intussen ondertekend door diverse milieu- en consumentenorganisaties in Europa.  Hierin staan vijf centrale eisen centraal:
1. A full right to know - including what chemicals are present in products. (Volledige transparantie, dus.) 
2. A deadline by which all chemicals on the market must have had their safety independently assessed. All uses of a chemical should be approved and should be demonstrated to be safe beyond reasonable doubt. 
3. A phase out of persistent or bioaccumulative chemicals. (Het voorzorgprincipe)
4. A requirement to substitute less safe chemicals with safer alternatives. (substitutiebeginsel)
5. A commitment to stop all releases to the environment of hazardous substances by 2020.

Na het verschijnen van het witboek heeft de Europese milieubeweging massaal gereageerd.  In z’n algemeenheid is de milieubeweging gelukkig met het feit dat de problematiek zal worden aangepakt.  Reacties hadden verder betrekking op :
- onvoldoende duidelijke, te weinig expliciete stellingname over het principe “no data, no market” (indien er geen gegevens voorhanden zijn, krijgt men geen vergunning om de stof te produceren) vanaf het overschrijden van de deadlines : daadwerkelijke omkering van de bewijslast – producten of stoffen van de markt totdat daadwerkelijk kan worden aangetoond dat ze veilig zijn.  Een eerste stap is daarbij uiteraard dat de nodige data worden voorzien.
- de voorwaarden voor de noodzaak voor vergunningverlening : enkel CMR (categorie 1 en 2) en POP’s : ook nodig voor P en B (persistente stoffen en Bio-accumulerende stoffen) (aangezien ze langere tijd in het leefmilieu verblijven en op basis van voorzorgsbeginsel ; very persistent very bio-accumulating of VPVB stond aanvankelijk wél in een eerdere versie van het witboek), CMR cat. 3, stoffen die ervan verdacht worden hormoonontregelende eigenschappen te hebben.
- hoeveelheden van de stoffen worden per producent of per importeur gemeten, niet in zijn totaliteit. Totale hoeveelheden van de productie kunnen evenwel aanzienlijk zijn! 
- Autorisatie mag geen licentie worden om met gevaarlijke stoffen te mogen omgaan. De bedoeling moet zijn om dergelijke stoffen te bannen, en eventueel een tijdelijke uitzondering te voorzien voor in het geval er geen alternatieven voorhanden zijn. 
- Geen toepassing van het substitutiebeginsel, geen comparative assessment.
- “Right to know” omvat twee elementen : informatie over chemische stoffen enerzijds en recht op informatie omtrent chemische stoffen in producten.  Tweede element komt niet aan bod.  Eerste wel mits het garanderen dat niet geraakt wordt aan de zgn. vertrouwelijkheid van gegevens.
- Financiering overheid voor opvolging : middelen van industrie volgens het principe van“de vervuiler betaalt” (gedifferentieerd volgens schadelijkheid van stof die op de markt wordt gebracht). Met andere woorden, de afhandeling van de dossiers door de overheid moet worden gefinancierd door de industrie. 
- Nood aan onafhankelijke controle op gegevens verstrekt door de industrie.
- Generatiedoelstelling OSPAR niet gegarandeerd (2020) (OPSAR = Oslo en Parijs Commissie voor de bescherming van het mariene milieu in de Nood-Oost Atlantische Oceaan)
- Geen controle op import van buiten de Europese Unie van chemische stoffen in producten. 
- Het nieuwe chemicals beleid moet betrekking hebben op alle in Europa geproduceerde chemische stoffen, en niet enkel diegene die op de Europese markt worden gebracht.  Ook indien chemische stoffen de fabriek niet verlaten, ook dan nog kunnen ze een risico vormen voor de arbeiders of de omgeving (in het geval van lekken e.d.).  Ook stoffen die buiten Europa op de markt worden gebracht dienen aan dezelfde vereisten te voldoen (hypocriet, kunnen ook buiten Europa problemen veroorzaken en bovendien kunnen ze via voeding, consumentenproducten, enz… terug bij ons komen – bijvoorbeeld: bedrijven als Monsanto en Degussa in de Antwerpse haven voeren al jarenlang producten uit naar Afrika en Azië die hier reeds lang verboden zijn) .
- In de zomer van 2001 is er een gezamenlijk standpunt gepubliceerd van Europese milieu-organisaties en de dierenbeschermingsbeweging.  De grote zorg van de dierenbeschermingsorganisaties is uiteraard dat het aantal dierenproeven sterk zou worden opgedreven.  Samenwerking was niet evident, zeker niet nadat GAIA aanvankelijk een zeer vernietigende persactie had georganiseerd waar veel persaandacht voor was geweest.  Tot dan toe hadden de milieuorganisaties aan de problematiek van de dierenproeven geen aandacht aan besteed.  Contradictorisch genoeg, heeft ondermeer de persactie van GAIA ertoe geleid dat ook werd bekeken hoe beter kon worden samengewerkt met de dierenrechtenorganisaties.
o door toepassing van het voorzorgsbeginsel kan het aantal dierenproeven gereduceerd worden.  Persistentie en bio-accumulatie kunnen vastgesteld worden aan de hand van chemische tests.  P & B stoffen behoeven geen verdere tests.  Gezien de risico’s op termijn wordt gepleit voor een phase out van dergelijke stoffen (zie eerder).
     o Toepassing van QSAR en daar reeds conclusies en prioriteiten uit halen
     o Nood aan meer onderzoek in alternatieve testmethodes
     o Maar ook nood aan validering van reeds bestaande alternatieve testmethodes (in vitro, fysico-chemisch,…)
     o Alternatieve testmethodes hebben bijkomende voordelen ten opzichte van dierenproeven :
                                          § Sneller en goedkoper (gemakkelijker om de deadlines te halen)
                                          § Accurater, beter reproduceerbaar
 
 


 

Bruno Melckmans

“Het Witboek is voor een stuk een afspiegeling van de liberale beleidsvisie op  Europees vlak. Zo is het KB van 11 maart 2002 betreffende de bescherming van de gezondheid en de veiligheid van de werknemers tegen de risico's van chemische agentia op het werk dat een omzetting is van de Europese richtlijn 98/24/EG van 7 april 1998 betreffende de bescherming van de gezondheid en de veiligheid van werknemers tegen risico's van chemische agentia op het werk daar een goed voorbeeld van. Deze verplicht iedere werkgever om de noodzakelijke maatregelen te nemen die de veiligheid en gezondheid van zijn werknemers garanderen. Om aan die verplichting te kunnen beantwoorden, moet de werkgever een risicoanalyse uitvoeren. Hiervoor moet hij over voldoende gegevens beschikken met betrekking tot de producten die in het bedrijf worden gebruikt. Dit is enkel mogelijk bij een volledige toegang tot informatie over alle chemische stoffen. En die is er niet. Er zijn slechts zeer weinig stoffen waarvoor daadwerkelijk een analyse is uitgevoerd. We kennen de impact op de gezondheid van veel stoffen niet. Kijk maar naar het trieste voorbeeld van asbest. We weten niet hoeveel mensen zullen sterven door het blootstelling aan risico’s waarvan de industrie op de hoogte was, maar die ze verborgen hielden. Om onder meer die slechte wil te vermijden, zouden er nu wel instrumenten komen – we gaan die alleszins eisen – om de risicoanalyse op een correcte manier te laten verlopen. En om de bedrijfsleiding de gepaste maatregelen te doen nemen die eruit voortvloeien. Dat is voor de vakbond de inzet in de bedrijven. Dit zal dan in de eerste plaats gebeuren door de beroepscentrales binnen de vakbond”.

Risicoanalyse en risicobeheer wordt door de Europese Unie aan de werkgevers uitbesteed. Die zullen daar in bepaalde gevallen van profiteren om een minimum te doen. Bovendien kennen, zoals gezegd, veel bedrijven – voornamelijk KMO’s – de risico’s niet. Vroeger had men in het ARAB een systematische opsomming van alle gevaarlijke stoffen. Telkens er iets nieuw op de markt kwam, werd dit in een artikel bijgevoegd. Nu krijgt de patroon vrij spel omdat in vele gevallen werknemers te weinig kennis hebben om te reageren. Elk bedrijf apart gaat nu een risicoanalyse moeten doen. De logica hierachter is dat de situatie op de werkvloer in ieder bedrijf verschillend is. Dit is voor een stuk de privatisering van het risicogebeuren.
De overheid zou een kader van principes moeten aanleveren omdat er bij de kleine bedrijven te weinig kennis en wil is om de risico’s op te volgen. ARAB was te dirigistisch, was soms 20 jaar achter, maar nu is er geen enkele lijst meer waarop men kan terugvallen en dus is er op het terrein geen houvast meer.
 
Bart Vandormael (ABVV- regio Antwerpen): Patroons krijgen een enorme vrijheid, als het comité voor preventie en bescherming niet sterk staat in het bedrijf, dan wordt de afgevaardigde door het bedrijf van het kastje naar de muur gestuurd. Wat wel goed is, is dat nu de juridische verantwoordelijkheid in de hiërarchische lijn wordt gerespecteerd. Fouten worden bestraft, weinig bedrijven beseffen wat er hen boven het hoofd hangt. Ze zijn voortaan burgerlijk aansprakelijk voor fouten in hun bedrijf.

Bruno Melckmans

Wat betreft het Witboek, kunnen we als vakbond terugvallen op het Bureau Technique Syndical dat in Brussel gevestigd is. Dit is een Europees studiebureau voor vakbonden die alle Europese richtlijnen opvolgen, over de productnormen bijvoorbeeld. Of over milieutechnische dossiers. Ook het Witboek behoort tot hun domein. Ze vergaderen hierover regelmatig met vakbondslui uit heel Europa. Ook wij hebben wat gelijkaardige opmerkingen bij het Witboek als degene die Esmeralda Borgo opsomt. Wij hebben er een probleem mee dat de minimumgrens voor registratie van 10 kg naar 1 ton is verschoven. Heel ernstig probleem is ook dat over de gezondheid van de arbeiders weinig staat vermeld. Het is echter die groep die het meest wordt blootgesteld aan de risico’s van chemische stoffen. Men heeft dus een belangrijk aspect – de arbeider - over het hoofd gezien. Alle sectoren zijn betrokken: chemie, non-ferro, bouw, voeding, textiel (solventen, verven, …) enzovoort. Er zit ook een aspect aan dat zeer belangrijk is naar vrouwen toe. Vrouwen nemen namelijk meer chemische stoffen op dan mannen. Zeker tijdens een zwangerschap is dit een belangrijk probleem. Bovendien komen ze sowieso meer in aanraking met die stoffen dan mannen: ze werken bijvoorbeeld in de onderhoudsector, in ziekenhuizen, enzovoort. Een andere risicogroep is de gastarbeider, die vaak weinig geïnformeerd is en die een onderneming in onderaanneming aan het werk zet – waar hun sociale rechten minder gegarandeerd zijn.

Bart Vandormael

Er wordt over het Witboek gesproken op de bedrijven, zoveel is duidelijk. Het is dus niet alleen op sectorniveau (Fedichem bijvoorbeeld), maar ook in de ondernemingsraden en CPB’s in de individuele bedrijven. In Bayer in de Antwerpse haven is die problematiek op de OR besproken, bijvoorbeeld. Zij schermen met werkgelegenheid en dreigen hun productie te verhuizen naar de VS indien mocht blijken dat het de maatregelen in het Witboek hen veel zal kosten. Men heeft in veel Antwerpse vestigingen van multinationale bedrijven grote schrik dat hierdoor niet meer zal geïnvesteerd worden in nieuwe installaties bij hun in het bedrijf, en dus wel in vestigingen van het bedrijf elders. Men tracht de vakbonden ook achter hun kar te spannen.

Esmeralda Borgo

Milieu wordt dus gebruikt als zwarte piet om iets niet te moeten implementen.

Annick Clauwaert

Niet enkel milieu, maar regelgeving tout court wordt gebruikt als zwarte piet. Alle wetgeving die bijkomende eisen oplegt (en die geld kot of extra administratie inhoudt), houdt het gevaar in dat bedrijven hun fabriek buiten Europa zullen vestigen. Het is voor ons als vakbond toch wel belangrijk om die productie hier te houden. Bedrijven als BASV, Degussa, Monsanto, Umicore, Tessenderlo Chemie, Bayer enzovoort gaan dit Witboek op hun boterham krijgen, de vraag is hoe ze ermee zullen omgaan? Het verschil tussen Europa en de VS mag niet te groot worden, of we prijzen ons uit de markt.

Esmeralda Borgo

Europa kan echter wel zeggen dat ze de producten die niet op een veilige en gegarandeerde, gecontroleerde manier zijn gemaakt, die willen we niet.

Annick Clauwaert

Het probleem hier is dat de WHO dat niet toestaat. Bovendien vergt dit heel veel politieke moed.

Bart Vandormael

De vraag is hoe groot de spanning is wat het concurrentienadeel betreft. Is het winstverlies door een milieumaatregel 10 tot 15%, dan valt dat te ondervangen door harder te werken, door het feit dat vanuit de Antwerpse haven heel snel goederen kunnen worden vervoerd wereldwijd, doordat hier veel goederen onmiddellijk beschikbaar zijn. Als het winstverlies oploopt tot 20 of 30%, dan is er een groter probleem. Dit is echter moeilijk te controleren omdat bedrijven als Bayer hun Amerikaanse jaarrekening niet vast te krijgen valt.

Annick Clauwaert

Voor dit dossier is er een dubbel probleem, dit economische probleem enerzijds; maar anderzijds is er ook een belangrijk element van veiligheid en gezondheid aan verbonden. Het raakt de belangen van de mensen die wij  verdedigen. Het grootste probleem voor ons is dat economische aspect: als de industrie ons kan bewijzen dat er een significant concurrentievoordeel op zal treden voor het buitenland, dan is er een serieus probleem. Hier zijn twee elementen aan: Om te beginnen is er het kostenaspect aan de omkering van de bewijslast, dat op zich een marginaal probleem is: het is namelijk een eenmalige investering. Maar veel problematischer is de administratieve last die het witboek zal teweeg brengen en de schrik dat bepaalde producten verboden zullen worden. Bedrijven zullen de handen niet meer vrij hebben om in te spelen op gaten in de markt. Hun bedrijfsvoeren zal logger worden en dààr heeft men schrik van.
Maar de dimensie veiligheid en gezondheid maakt het dossier wel relevant voor het ABVV en de vakbonden.
Het asbestdossier is trouwens een voorbeeld van de houding van veel vakbondslui: delegees die een longaandoening hebben blijven hun bedrijf met hand en tand verdedigen. Ook mijnwerkers vroeger, die waren op hun 50 kapot maar zeer fier op hun job.